Home Next
 
bruxel1238_800
bruxel1238_800.jpg
 
Il y a plus de 1000 ans, la Senne était une rivière gracieuse, formant de nombreux méandres et îlots, très poissonneuse.
    Au Vème siècle, sur ces îlots (et notamment l’îlot Saint Géry) et terres marécageuses les francs fondèrent ‘Bruoscella’ (la maison dans le marais), village agricole qui devint plus tard Bruxelles.
    La Senne formait à cette époque deux bras principaux dans Bruxelles, se séparant au hameau d'Aa (Anderlecht), ainsi que de nombreux embranchements secondaires, naturels ou artificiels et divers fossés des fortifications. De très nombreux moulins à eau, étangs, barrages, installés sur la Senne et ses affluents, ont permis le développement économique, urbanistique et social de Bruxelles.
    Pendant longtemps, ses habitants utilisèrent la Senne, tant pour la pêche que pour la navigation.
Dès le 11ème siècle, un port se tenait au cœur de Bruxelles.
    Une première enceinte édifiée aux alentours du XIIIe siècle s'avéra vite saturée par la croissance urbaine. Cette enceinte
comprenait quatre mille mètres, quarante tours de défense (sept mètres de hauteur et d'une épaisseur d'environ un mètre) et sept portes englobant le palais comtal, les «steenen», le castrum et un oratoire dédié à Saint-Michel.
  
In haar moerassige vallei had de Zenne drie eilanden gevormd: het Groot Eiland of Sint-Gorikseiland, het Klein Eiland of Overmoleneiland en het Ridderseiland. In de Vde eeuw hadden de Franken op deze eilandengroep «Bruoscella» ["nederzetting in het moeras"] gesticht.
    De Zenne was toen een vrij belangrijke waterweg die goed bevaarbaar was en Brussel met zijn haven via de Rupel verbond met de Schelde. Twee armen van de Zenne die splitsten in het gehucht «Aa» [Anderlecht], kwamen via deze eilanden weer samen. Een veelheid van zijrivieren en beken kwam in deze vallei in de Zenne. De bewoners groeven heel de geschiedenis lang allerlei kunstmatige verbindingen om zo de talrijke overstromingen onder controle te krijgen.
    Op het Sint-Gorikseiland bouwde de hertog van Neder-Lotharingen in 977 een castrum. Dit versterkte kasteel moest enerzijds de stad beschermen en anderzijds het Duitse Keizerrijk (waartoe het hertogdom Brabant en dus ook Brussel behoorde), verdedigen tegen de aanvallen van de Franse koningen en hun machtige vazallen, de graven van Vlaanderen.
Reeds in de elfde eeuw krijgt de stad haar eerste omwalling [zie kaart].
    Wegens zijn goede ligging aan de Zenne en aan de belangrijke handelsweg tussen Brugge en Keulen, kende Brussel een vrij snelle groei: het werd een belangrijk handelscentrum dat zich spoedig uitbreidde naar de bovenstad (Sint-Michielskathedraal, Coudenberg, Zavel...) die een grotere veiligheid bood tegen de regelmatige overstromingen van de Zenne.


Home Next